Innovatief hergebruik van
de gebouwde omgeving
 
 
Dansuitvoering.jpg

02-04-2013

Anne Seghers

Een dansuitvoering tussen top-down en bottom-up

Een moderne dansuitvoering tussen top-down en bottom-up
De ontwikkeling van een alternatieve stedenbouw met bottom-up initiatieven als basis.

Ze worden verwelkomd met open armen en onthaald als helden: de buurtmoestuin die door bewoners is opgezet, de verzameling creatieve werkplekken die op initiatief van een kunstenaar van de grond is gekomen en de parkbar die volledig door crowdfunding is gefinancierd. De ene ruimtelijk professional roept nog harder dan de andere dat dit soort initiatieven van onderop de toekomst zijn en dat de projectontwikkeling van voorheen voltooid verleden tijd is. De slogan dat kwantiteit nu echt plaats moet maken voor kwaliteit echoot in het rond. En ook de overheid doet een duit in het zakje door zich terug te trekken en ‘de bewoner in zijn kracht te zetten’. Het hele denken over de stadsontwikkeling lijkt 180 graden gedraaid te zijn ten opzichte van het top-down dogma dat enkele jaren geleden nog oorverdovend dominant was. Bottom-up is hip en top-down is verworden tot een vies woord.

Veranderend krachtenveld
Dat de stedelijke opgave een verandering doormaakt is inmiddels diep doorgedrongen in de vezels van ruimtelijk Nederland. De grote ontwikkelprojecten met een vaststaand eindbeeld en een strak, van bovenaf geregisseerd masterplan lopen vast. Want als groei niet langer vanzelfsprekend is, blijken de financiële systemen en de marktwerking – de fundering onder deze vorm van stadsontwikkeling - ineens tegenwerkende obstakels. Maar ook de ruimtelijke opgave verschuift, van de ‘de uitdijende stad’ met VINEX wijken naar ‘de transformerende, inbreidende stad’ met herstructurering, tussentijdlocaties en pauzelandschappen.

De veranderingen beslaan niet enkel één aspect van de stedenbouwpraktijk, maar vinden op meerdere vlakken tegelijk plaats – de ruimtelijke behoefte, het beleid, de geldstromen en de schaal van de opgave. Hierdoor bevindt de stedenbouwer zich in een gewijzigd krachtenveld en zal hij op zoek moeten naar een andere omgangsvorm met de stad. Deze veranderde condities en kaders bieden mogelijkheden om een manier van stadsontwikkeling te ontplooien waarin bottom-up initiatieven een belangrijke rol spelen.

Waarde
Maar het ene initiatief van onderop is echter het andere niet. Dus alvorens uitspraken te doen over de mogelijke betekenis die initiatieven van onderop kunnen hebben voor het vak, is een duiding van het begrip ‘bottom-up’ geboden. Dit zijn initiatieven die niet worden bedacht en opgetuigd door de traditionele, institutionele partijen zoals een gemeente, een projectontwikkelaar of een woningcorporatie. Maar dat maakt een bottom-up project niet per definitie waardevoller dan een top-down initiatief. Bottom-up initiators hebben een ander belang bij een project dan de traditionele stedelijke partners: de betrokkenheid is vaak heel groot en daarmee rust een dit type project op een ander fundament dan een van bovenaf geregisseerd masterplan. Daarom is het niet verwonderlijk dat een bottom-up opgave veelal ontstaat uit een urgentie die op sociaalmaatschappelijk gebied gevoeld wordt of vanuit een behoefte van bewoners en gebruikers. Veelal gaat het om initiatieven waar (nog) geen traditionele opdrachtgever voor is. Desondanks kunnen initiatiefnemers wel op zoek gaan naar een ander soort opdrachtgever, passend bij de betrokkenheid met het project, bijvoorbeeld in de vorm van een samenwerkingsverband of een adopterende partij.

Danspartners
Bottom-up projecten passen veel beter bij de veranderende condities in het vak dan de masterplanning van voorheen. Deze vorm van stedelijk initiatief is kleinschaliger en kan daardoor sneller reageren. Maar wil het onderdeel uitmaken van het stedenbouwkundig vocabulaire, dan moet het allereerst gezien worden als een volwaardige compagnon. Niet als een intermezzo dat de tijd vult totdat het hoofdprogramma weer verder gaat. Maar het is niet zo dat bottom-up initiatieven volledig in de plaats zouden moeten komen van de top-down visie. Ze zijn beide onmisbaar. In stedenbouw waarin alleen de top-down benadering voorkomt, wordt de visie op de stad vaak overschaduwd door marktgedrevenheid en een passieve en dienende rol van de stedenbouwer. En door de kleinschalige toepassing en het ad-hoc karakter van de meeste bottom-up initiatieven blijven dit incidenten of zeer tijdelijke ingrepen, terwijl het ook juist een manier van stad maken is die momenteel niet als zodanig wordt benut. Het zijn twee benaderingen die tegelijkertijd kunnen plaatsvinden, in dienst van elkaar, en als innige samenwerkingspartners.

Deze samenwerking is dan gestoeld op gelijkwaardigheid. Er zal een idee of visie moeten komen over de gewenste ontwikkelingsrichting van een stad of buurt. Maar dit zal veel meer als een flexibel denkraam, een scenario, functioneren dan als een sturend mechanisme. Het is dus geen vastgesteld eindbeeld waarbij de fases enkel de vastgestelde stapjes in de tijd zijn om tot dit getekende doel te komen. In de alternatieve stedenbouw, waarbij bottom-up en top-down elkaar versterken, is het ene initiatief juist een aanjager voor een volgende fase. Het is dan van belang dat een visie op grotere schaal mogelijkheden biedt voor en de flexibiliteit heeft om te reageren op bottom-up initiatieven.

Aanvullend vocabulaire
Deze alternatieve stedenbouw gooit de kennis van de ‘oude’ stedenbouw niet overboord, maar nuanceert het gebruik ervan en verrijkt hem met een aanvullend vocabulaire. Waar bij de traditionele masterplanning bottom-up initiatieven vooral als onhandig en een sta-in-de-weg ervaren worden, kunnen ze nu veel meer gezien worden als een vruchtbare voedingsbodem voor de ontplooiing van een stedelijk scenario. Een dergelijk scenario bestaat dan uit een idee op grotere schaal, dat werkt als een flexibel framework, waarin bottom-up initiatieven de basis vormen. De mate van de aanwezigheid van het top-down-denkraam hangt af van de opgave. Bij een opgave als de Nederlandse kust, een systeem dat als één geheel werkt, is een zorgvuldige visie op grotere schaal onontbeerlijk. Terwijl bij de herstructurering van een wijk veel meer gereageerd kan worden op tussentijdse input van onderop. Top-down en bottom-up zijn dus beide aanwezig, maar de verhouding tot elkaar verschilt per opgave.

Denkraam
Deze kijk op de stadsontwikkeling vraagt om een andere manier van visievorming. Waar in de traditionele planvorming de boventoon werd gevoerd door ruimtelijke tekeningen en financiële doorrekeningen, zal nu de sociaalmaatschappelijke en economische component een belangrijk onderdeel zijn. Misschien is het zelfs zo dat de nieuwe, flexibele visievorming in eerste instantie niet eens een ruimtelijk is, maar meer een beschrijving of een verhaal? In ieder geval zullen de vele maatschappelijke opgaven waar de stad voor staat, vormend zijn voor basis van deze andere manier van ideevorming. Een diepgaand begrip van de bestaande situatie is hierbij essentieel om een duurzaam en innovatief toekomstperspectief te bieden waarbij de visie sterk maar flexibel is en waarbij een voedingsbodem ontstaat voor bottom-up initiatief. Binnen dit denkraam kunnen bottom-up initiatieven vervolgens de ‘soul’ van het gebied vertolken, het sociale netwerk versterken en het (sociaaleconomische) programma verrijken. En om te zorgen dat de initiatieven van onderop waarlijk kunnen bijdragen binnen het framework, moet de voedingsbodem nog wat bemest worden, zodat deze projecten kunnen opbloeien. Wellicht moet het arsenaal aan regelgeving, beleid en financiële constructies – dat momenteel sterk gericht is op de masterplanning en het eindbeeld-denken – zich toegankelijker opstellen voor deze kleinschaligere projecten, zodat de samenwerking tussen top-down en bottom-up zich echt kan gaan uitvinden.

Top-down en bottom-up zijn uitersten, met elk hun kwaliteiten, maar de stedenbouwkundige mogelijkheden liggen in de synthese van beide.

Deze blog is een gezamenlijk product van Anne Seghers en Zineb Seghrouchni van Studio Papaver.